|
GERECHTELIJK
WETBOEK
________________________________________________________________
I. ARBITRAGE
Art. 1676.
1.Elk geschil dat reeds is ontstaan of nog kan
ontstaan
uit een bepaalde rechtsbetrekking, waarover een dading mag worden
aangegaan,
kan bij overeenkomst aan arbitrage worden onderworpen.
2. Ieder die bekwaam of bevoegd is om een dading
aan
te gaan, kan een overeereenkomst tot arbitage sluiten.
De publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen, onverminderd het bepaalde
in
de bijzondere wetten, slechts een overeenkomst tot arbitrage sluiten
indien
de overeenkomst de beslechting van een geschil betreffende de
totstandkoming of de uitvoering van een overeenkomst tot doel heeft. De
voorwaarden die golden
voor
het sluiten van het contract waarvan de uitvoering aan arbitrage wordt
onderworpen
gelden eveneens voor het sluiten van de overeenkomst tot arbitrage.
Daarenboven
mogen de publiekrechtelijke rechtspersonen in alle aangelegenheden,
bepaald
bij
wet of bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit,
overeenkomsten tot arbitrage sluiten. Het besluit mag eveneens de
voorwaarden en de regels van totstandkoming van de overeenkomst
bepalen.) <W 1998-05-19/45, art. 3, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
3. Het bepaalde in de voorgaande leden laat de
uitzonderingen
die elders in de wet voorkomen onverlet.
Art. 1677.
Een overeenkomst tot arbitrage behoort te zijn
vervat
in een door partijen ondertekend geschrift, of in andere hen bindende
stukken,
waarin zij blijk hebben gegeven van hun wil om het geschil aan
arbitrage
te onderwerpen.
Art. 1678.
1. Een overeenkomst tot arbitrage is niet geldig
indien
daarin aan een van de partijen een bevoorrechte positie bij de
aanwijzing
van de (arbiter) of de (arbiters) is toegekend. <W 1998-05-19/45,
art.
14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Onder voorbehoud van de bij de wet bepaalde
uitzonderingen
is van rechtswege nietig iedere overeenkomst tot arbitrage, afgesloten
vóór het ontstaan van een
geschil, waarvan de arbeidsrechtbank kennis moet nemen krachtens de
artikelen
578 tot 583.
Art. 1679.
1. De rechter bij wie een aan arbitrage
onderworpen
geschil aanhangig is gemaakt, verklaart zich, op verzoek van een
partij,
onbevoegd om daarvan kennis te nemen, tenzij er ten aanzien van dat
geschil
geen geldige overeenkomst tot arbitrage is of deze is geëindigd;
de
exceptie moet voor elke andere exceptie of verweer worden voorgedragen.
2. Met een overeenkomst tot arbitrage is niet
onverenigbaar
dat een partij zich tot
de rechter wendt in verband met het nemen van bewarende maatregelen of
ter
verkrijging van een voorlopige voorziening; dit betekent niet dat die
partij
van arbitrage afziet.
Art. 1680.
Ieder die bekwaam is tot het aangaan van een
overeenkomst
kan (arbiter) zijn, met uitzondering van, zelfs ontvoogde,
minderjarigen,
van personen wie een gerechtelijk raadsman is toegevoegd en van hen die
onherroepelijk zijn uitgesloten van het kiesrecht of in de uitoefening
van het kiesrecht zijn geschorst. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1681.
1. Een scheidsgerecht moet zijn samengesteld uit
een
oneven aantal (arbiters). Het kan uit één (arbiter)
bestaan.
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Voorziet de overeenkomst tot arbitrage in een
even
aantal (arbiters), dan wordt een bijkomende (arbiter) benoemd. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
3. Hebben partijen het aantal der (arbiters) niet
in
de overeenkomst tot arbitrage bepaald en worden zij het alsnog niet
over
het aantal eens, dan bestaat het scheidsgerecht uit drie (arbiters).
<W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1682.
Partijen kunnen bij de overeenkomst tot arbitrage
of
daarna de (arbiter) of de (arbiters) aanwijzen dan wel een derde met
die
aanwijzing belasten. Hebben partijen de (arbiters) niet aangewezen en
zijn
zij ook niet overeengekomen op welke wijze deze moeten worden
aangewezen,
dan wijst ieder van hen na het ontstaan van het geschil een (arbiter)
of,
zo nodig een gelijk aantal (arbiters) aan. <W 1998-05-19/45, art.
14,
003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1683.
1. De partij die een geschil bij het
scheidsgerecht
aanhangig wil maken, geeft
daarvan kennis aan de tegenpartij. In deze kennisgeving wordt naar de
overeen-
komst tot arbitrage verwezen en voorts het onderwerp van het geschil
aangegeven,
indien dit laatste niet reeds in de overeenkomst tot arbitrage is
geschied.
2. Wanneer er meer dan één (arbiter)
moet
worden aangewezen en het aan partijen is om hen aan te wijzen, bevat de
kennisgeving
eveneens de namen van de (arbiter) of (arbiters) die door de partij die
zich
op de overeenkomst tot arbitrage beroept, zijn aangewezen; in deze
kennisgeving wordt tevens de tegenpartij uitgenodigd om
de door haar aan te wijzen (arbiter) of (arbiters), op te geven. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
3. Is een derde belast met de aanwijzing van de
(arbiter)
of van de (arbiters) en
heeft hij zulks nog niet verricht, dan wordt ook aan hem een
kennisgeving, als bedoeld in het eerste lid, gedaan, waarin hij wordt
uitgenodigd om tot
de aanwijzing over te gaan. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
4. Is van de aanwijzing van een (arbiter) eenmaal
kennis
gegeven, dan kan deze niet meer worden ingetrokken. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1684.
1. Heeft de partij of de derde, aan wie een
kennisgeving
als bedoeld in artikel 1683 is gedaan, niet binnen een maand daarna de
door
hem aan te wijzen (arbiter) of (arbiters) aangewezen, dan geschiedt de
benoeming van die (arbiter) of (arbiters)
op het verzoekschrift van de meest gerede partij door de voorzitter van
de
rechtbank van eerste aanleg. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Wanneer partijen zijn overgekomen dat er
één
(arbiter) zal zijn en zij deze niet in onderlinge overeenstemming
binnen
een maand na de in artikel 1683 bedoelde kennisgeving hebben
aangewezen,
geschiedt de benoeming op de wijze als in het eerste lid bepaald. <W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1685.
1. Wanneer de ingevolge de voorgaande artikelen
aangewezen
of benoemde (arbiters) even in aantal zijn, benoemen zij nog een
(arbiter);
deze is voorzitter van
het scheidsgerecht. Bij het ontbreken van overeenstemming tussen de
(arbiters)
wordt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen, de benoeming op
verzoek
van
de meest gerede partij gedaan door de voorzitter van de rechtbank van
eerste
aanleg. Het verzoek daartoe kan tot de voorzitter worden gericht na
verloop
van
een maand, nadat de laatste (arbiter) zijn opdracht heeft aanvaard of
zodra
voordien het ontbreken van overeenstemming is vastgesteld. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Wanneer de aangewezen (arbiters) oneven in
aantal
zijn, benoemen zij één hunner tot voorzitter van het
scheidsgerecht,
tenzij partijen een andere wijze van benoeming zijn overeengekomen. Bij
het
ontbreken van overeenstemming tussen de (arbiters) geschiedt die
benoeming
overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. <W 1998-05-19/45,
art.
14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1686.
1. In de gevallen als bedoeld in de artikelen 1684
en
1685 staat tegen de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van
eerste
aanleg geen voorziening open.
2. De beslissing van de voorzitter belet niet dat
(arbiters)
zich over hun bevoegdheid uitspreken, noch dat een partij de
onbevoegdheid
van het scheidsgerecht inroept. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1687.
1. Indien een (arbiter) overlijdt, rechtens of in
feite
verhinderd is zijn opdracht te vervullen, weigert zijn opdracht te
aanvaarden
of deze niet uitvoert, dan wel indien aan zijn opdracht in onderlinge
overeenstemming tussen partijen een einde is gemaakt, wordt in zijn
vervanging voorzien volgens
de regels die op zijn aanwijzing
of benoeming toepasselijk zijn. Is de (arbiter) of zijn (arbiters)
evenwel
in de overeenkomst tot arbitrage met name genoemd, dan vervalt die
overeenkomst
van rechtswege. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
2. Geschillen met betrekking tot de in het eerste
lid
bedoelde gevallen worden door de meest gerede partij aanhangig gemaakt
bij
de rechtbank van eerste aanleg.
Beslist deze dat er reden is om een (arbiter) te vervangen, dan benoemt
zij
diens vervanger; zij houdt daarbij rekening met de bedoelingen van
partijen
zoals die uit
de overeenkomst tot arbitrage blijken. <W 1998-05-19/45, art. 14,
003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
3. Partijen kunnen van de bepalingen van dit
artikel
afwijken.
Art. 1688.
Het overlijden van een partij doet noch de
overeenkomst
tot arbitrage, noch de opdracht van (arbiters) eindigen, tenzij
partijen
anders zijn overeengekomen. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
Art. 1689.
Een (arbiter) die zijn opdracht eenmaal heeft
aanvaard,
kan zich daaraan niet meer onttrekken, tenzij de rechtbank van eerste
aanleg
hem op zijn daartoe strekkend verzoek verlof heeft gegeven. De
rechtbank
beslist niet dan na verhoor van partijen of nadat deze door de griffier
bij
gerechtsbrief zijn opgeroepen. Tegen de beslissing van de rechtbank
staat
geen voorziening open. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
Art. 1690.
<W 1998-05-19/45, art. 4, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
1.Arbiters kunnen worden gewraakt wanneer er
omstandigheden
zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over hun
onpartijdigheid
of onafhankelijkheid.
2. Een partij kan een arbiter slechts wraken om
een
reden die haar na zijn
aanwijzing bekend is geworden.
Art. 1691.
1. Van de wraking wordt kennis gegeven aan de
(arbiters)
alsook aan de derde die ingevolge de overeenkomst tot arbitrage de
gewraakte
(arbiter) heeft benoemd, zodra de reden tot wraking aan de wrakende
partij
bekend is geworden. De (arbiters) schorten daarop het geding op. <W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Wanneer de gewraakte (arbiter) zich niet heeft
teruggetrokken
binnen tien dagen nadat hem van de wraking kennis is gegeven, geeft het
scheidsgerecht hiervan kennis aan de wrakende partij. Deze moet, op
straffe van verval van
haar recht, de (arbiter) en de andere partijen binnen tien dagen na
deze
kennisgeving dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg; geschiedt
dit
niet, dan wordt het geding voor (arbiters) van rechtswege hervat. Hoger
beroep
tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg wordt beslecht
overeenkomstig
de bepalingen van de artikelen 843 en 847 van dit Wetboek. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
3. Heeft de (arbiter) zich teruggetrokken of is
zijn
wraking door de rechter aanvaard, dan wordt in zijn vervanging voorzien
volgens
de regels die op zijn aanwijzing of benoeming toepasselijk zijn; is
evenwel
de (arbiter) in de overeenkomst tot arbitrage met name genoemd, dan
vervalt
die overeenkomst van rechtswege. Partijen kunnen van de bepalingen van
dit
lid afwijken. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
Art. 1692.
1. Partijen kunnen in de overeenkomst tot
arbitrage
bepalen dat bepaalde groepen van personen van het vervullen van de
functie
van (arbiter) zijn uitgesloten. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
2. Indien bij de samenstelling van het
scheidsgerecht
op deze uitsluiting geen acht is geslagen, moet op deze
onregelmatigheid
overeenkomstig artikel 1691 een beroep worden gedaan.
Art. 1693.
<W 1998-05-19/45, art. 5, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998>
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1694,
stellen
de partijen de regels van de arbitrale procedure en de plaats van
arbitrage
vast.
Wanneer de partijen binnen de door het scheidsgerecht bepaalde termijn
hun
wil daaromtrent niet kenbaar hebben gemaakt, stellen de arbiters die
regels
en de plaats van arbitrage vast. Werd de plaats van arbitrage noch door
de
partijen, noch door
de arbiters vastgesteld, dan geldt de plaats van de uitspraak, zoals
vermeld
in de beslissing, als plaats van arbitrage.
2. Voor zover er niet anders overeengekomen
werd
en na de partijen te hebben geraadpleegd, kan het scheidsgerecht op
elke
plaats die het daartoe geschikt acht, zittingen en bijeenkomsten
houden.
3. De voorzitter van het scheidsgerecht bepaalt de
gang
van zaken ter zitting en leidt de debatten.
Art. 1694.
1. Het scheidsgerecht geeft aan iedere partij de
gelegenheid
om voor haar rechten
op te komen en haar middelen voor te dragen.
2. Het scheidsgerecht doet uitspraak na de
wederzijdse
mondelinge uiteenzettingen
te hebben aangehoord. Partijen kunnen geldig worden opgeroepen bij
aangetekende
brief, tenzij zij een andere wijze van oproeping zijn overeengekomen.
Partijen
kunnen in persoon verschijnen.
3. Het geding wordt schriftelijk gevoerd, indien
partijen
zulks zijn overeengekomen
of voor zover zij hebben afgezien van wederzijdse mondelinge
uiteenzettingen.
4. Iedere partij heeft het recht zich te doen
vertegenwoordigen
door een advocaat, dan wel door een lasthebber die daartoe
bijzonderlijk
en schriftelijk is gemachtigd
en door het scheidsgerecht is toegelaten. Iedere partij kan zich doen
bijstaan
door een advokaat of, mits deze door het scheidsgerecht wordt
toegelaten,
door een andere persoon harer keuze. Partijen mogen door zaakwaarnemers
noch
vertegenwoordigd, noch bijgestaan worden.
Art. 1695.
Indien, behalve in geval van wettige verhindering,
een
op regelmatige wijze opgeroepen partij niet is verschenen of haar
middelen
niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft voorgedragen, kan het
scheidsgerecht toch de zaak behandelen en uitspraak doen, tenzij de
tegenpartij verzoekt de zaak uit te stellen.
Art. 1696.
1. Onverminderd de toepassing van artikel 1679.2.
kan
het scheidsgerecht op verzoek van een partij voorlopige en bewarende
maatregelen
bevelen, met uitzondering van een bewarend beslag.
2. Tenzij de partijen anders overeengekomen zijn,
oordeelt
het scheidsgerecht vrij over de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen
en
hun bewijskracht.) <W 1998-05-19/45, art. 6, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
3. Het scheidsgerecht kan het houden van een
getuigenverhoor,
van een deskundigenonderzoek, van een gerechtelijke plaatsopneming en
de
persoonlijke verschijning van partijen gelasten. Het kan een
beslissende
eed afnemen en aan partijen een aanvullende eed opleggen. Het kan
eveneens,
onder de bij artikel 877 van dit wetboek gestelde voorwaarden, de
overlegging
bevelen van door een partij onder zich gehouden stukken. <W
1998-05-19/45,
art. 6, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
4. Wanneer het scheidsgerecht een verhoor van
getuigen
heeft bevolen, doch deze niet vrijwillig verschijnen of weigeren de eed
of
een verklaring af te leggen, zal het partijen of een van hen verlof
verlenen
om zich binnen een bepaalde termijn bij verzoekschrift tot de rechtbank
van
eerste aanleg te wenden ter benoeming van een rechter-commissaris,
belast
met het houden van het verhoor. Dit verhoor wordt gehouden op de wijze
als
voorgeschreven in burgerlijke zaken. De termijnen van
het scheidsrechterlijk geding worden van rechtswege geschorst tot aan
het
einde
van het verhoor. <W 1998-05-19/45, art. 6, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
5. Het scheidsgerecht kan geen schriftonderzoek
bevelen
noch beslissen over een betwisting betreffende de overlegging van
stukken
of over de beweerde valsheid van stukken. In dit geval geeft het aan
partijen
gelegenheid om zich binnen een bepaalde termijn tot de rechtbank van
eerste
aanleg te wenden. <W 1998-05-19/45, art. 6, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
6. De termijnen van het geding worden van
rechtswege
geschorst tot aan de dag waarop aan het scheidsgerecht door de meest
gerede
partij van de eindbeslissing in het tussengeschil kennis is gegeven.
<W
1998-05-19/45, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1696bis.
<Ingevoegd bij W 1998-05-19/45, art. 7;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
1. Iedere derde-belanghebbende kan het
scheidsgerecht
verzoeken om in de procedure te mogen tussenkomen. Dit verzoek wordt
schriftelijk
aan het scheidsgerecht gericht, dat het aan partijen meedeelt.
2. Een derde kan door een partij worden opgeroepen
om
tussen te komen.
3. In elk geval, om toegelaten te worden, vereist
de
tussenkomst een overeenkomst tot arbitrage tussen de derde en de
partijen
in het geding. Zij is bovendien afhankelijk van de instemming van het
scheidsgerecht, dat bij eenparigheid uitspraak doet.
Art. 1697.
1. Het scheidsgerecht kan zich omtrent zijn
bevoegdheid
uitspreken en daartoe de geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage
onderzoeken.
2. De vaststelling, dat het contract nietig is,
brengt
niet van rechtswege mede dat ook de overeenkomst tot arbitrage die
daarvan
deel uitmaakt nietig is.
3. De beslissing, waarbij het scheidsgerecht zich
bevoegd
heeft verklaard, kan
slechts tegelijk met de uitspraak in de hoofdzaak en langs dezelfde weg
voor
de rechtbank van eerste aanleg worden bestreden. De rechtbank van
eerste
aanleg kan op vordering van een der partijen een uitspraak geven over
de
gegrondheid van de beslissing waarbij het scheidsgerecht zich onbevoegd
heeft
verklaard.
4. Door een (arbiter) aan te wijzen verliest een
partij
niet haar recht om de onbevoegdheid van het scheidsgerecht in te
roepen.
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1698.
1. Partijen kunnen tot het tijdstip waarop de
eerste
(arbiter) zijn opdracht heeft aanvaard, de termijn vaststellen binnen
welke
de uitspraak moet worden gedaan of de wijze bepalen waarop deze termijn
zal
worden vastgesteld. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998>
2. Wanneer partijen deze termijn niet hebben
vastgesteld,
noch de wijze waarop deze termijn wordt vastgesteld hebben bepaald, kan
de
rechtbank van eerste
aanleg op verzoekschrift van een der partijen het scheidsgerecht een
termijn
stellen, indien het nalatig is uitspraak te doen en er zes maanden zijn
verstreken
sedert de
dag waarop alle (arbiters) hun opdracht tot beslechting van het geschil
hebben
aanvaard. Tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg staat
geen
voorziening open. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
3. De opdracht van de (arbiters) eindigt indien de
(arbitrale
uitspraak) niet binnen de gestelde termijn is gedaan, tenzij deze
termijn
bij onderling goedvinden van partijen mocht zijn verlengd. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
4. Wanneer de (arbiters) in de overeenkomst tot
arbitrage
met name zijn
aangewezen en de uitspraak niet binnen de termijn is gedaan, eindigt de
overeenkomst
tot arbitrage van rechtswege, tenzij partijen anders zijn
overeengekomen.
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1699.
<W 1998-05-19/45, art. 8, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998> Het scheidsgerecht geeft eindbeslissingen of
beslissingen
alvorens recht te doen in één
of meer uitspraken.
Art. 1700.
<W 1998-05-19/45, art. 9, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998> Tenzij de
partijen anders overeengekomen zijn, beslissen de arbiters volgens de
regels
van het recht.
Wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon partij is bij de
overeenkomst tot arbitrage, beslissen de arbiters steeds volgens de
regels van het recht, onverminderd de bijzondere wetten.
Art. 1701.
1. De uitspraak wordt gedaan na een beraadslaging
waaraan
alle (arbiters) moeten deelnemen. De beslissing wordt met volstrekte
meerderheid
van stemmen genomen, tenzij partijen een andere meerderheid zijn
overeengekomen.
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Partijen kunnen ook overeenkomen dat, wanneer
er
geen meerderheid kan worden gevormd, de stem van de voorzitter
beslissend
is.
3. Indien de (arbiters) over geldsommen moeten
beslissen
en er geen meerderheid voor de grootte van een toe te wijzen bedrag
wordt
bereikt, worden, behoudens afwijkend beding, de stemmen die zijn
uitgebracht
voor het hoogste bedrag , gerekend te zijn uitgebracht voor het
onmiddellijk daarop volgende, totdat een meerderheid is gevormd. <W
1998-05-19/45, art.
14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
4. De uitspraak wordt op schrift gesteld en door
de
(arbiters) ondertekend. Indien een of meer (arbiters) niet kunnen of
willen
tekenen, wordt daarvan in de uitspraak melding gemaakt; deze moet
evenwel
een aantal ondertekeningen dragen ten minste ten getale van de
meerderheid
van de (arbiters). <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998>
5. Naast de eigenlijke beslissing houdt de
uitspraak
de volgende gegevens in:
a) de namen en woonplaatsen van de (arbiters); <W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
b) de namen en woonplaatsen van de partijen;
c) het onderwerp van het geschil;
d) de datum waarop de uitspraak is gedaan;
e) de plaats waar het geding is gevoerd en de plaats waar de
uitspraak
is gedaan.
6. De uitspraak wordt met redenen omkleed.
Art. 1702.
1. De voorzitter van het scheidsgerecht geeft van
de
uitspraak kennis aan elke partij door haar een exemplaar ervan toe te
zenden,
dat volgens het vierde lid van artikel 1701 is ondertekend.
2. De voorzitter van het scheidsgerecht legt het
origineel
van de uitspraak neder ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
Hij
geeft van de nederlegging kennis aan partijen.
3. De opdracht van de (arbiters) eindigt nadat van
de
uitspraak, welke aan het
geding een einde maakt, aan partijen kennis is gegeven en zij volgens
de
voorgaande bepalingen is neergelegd. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
Art. 1702bis.
<Ingevoegd bij W 1998-05-19/45, art. 10;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
1. Binnen dertig dagen na kennisgeving van de
uitspraak,
tenzij de partijen een andere termijn zijn overeengekomen :
a) kan één van de partijen, mits kennisgeving aan
de
andere, aan het scheids-
gerecht vragen in de tekst van de uitspraak elke misstelling, verkeerde
berekening,
drukfout of soortgelijke fout te verbeteren;
b) kan een partij, wanneer partijen dat zijn overeengekomen,
mits
kennisgeving
aan de andere, aan het scheidsgerecht vragen om een bepaald punt of
specifieke
passage uit de uitspraak uit te leggen.
Vindt het scheidsgerecht dit vezoek gegrond, dan doet het de
verbetering of
geeft
het de uitlegging binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek. De
uitlegging
maakt integraal deel uit van de uitspraak.
2. Het scheidsgerecht kan uit eigen beweging elke
vergissing
bedoeld in het eerste
lid, a), verbeteren binnen dertig dagen na de datum van de uitspraak.
3. Het scheidsgerecht kan indien nodig de termijn
verlengen
waarover het beschikt om de uitspraak te verbeteren of uit te leggen
krachtens
het eerste lid.
4. De bepalingen van artikel 1701 zijn van
toepassing
op de verbetering of de uitlegging van de uitspraak.
5. Wanneer dezelfde arbiters niet meer kunnen
worden
bijeengeroepen, moet het verzoek om uitlegging of verbetering van de
uitspraak
worden voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg waarvan de
voorzitter
bevoegd is om de uitvoerbaarverklaring te beslissen overeenkomstig de
bevoegdheidsregels voorzien
in de artikelen 1717 en 1719, tweede lid.
Art. 1703.
Wanneer van een (arbitrale uitspraak) aan partijen
kennis
is gegeven volgens artikel 1702, eerste lid, en zij niet meer voor
(arbiters)
kan worden bestreden, heeft zij gezag van gewijsde, behoudens ingeval
de
uitspraak in strijd is met de openbare
orde dan wel het geschil niet vatbaar was voor beslechting door
arbitrage. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; ED : 17-08-1998>
(Tegen een arbitrale uitspraak kan alleen hoger beroep worden
ingesteld,
indien de partijen daarin hebben voorzien in de overeenkomst tot
arbitrage.
Tenzij anders is overeengekomen, is de termijn om hoger beroep in te
stellen
één maand vanaf de betekening van de scheidsrechterlijke
uitspraak.)
<W 1998-05-19/45, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1704.
1.Een (arbitrale uitspraak) kan slechts worden
bestreden
voor de rechtbank van eerste aanleg door een vordering tot vernietiging
in
te stellen, en zij kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel
genoemde
gevallen. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
2. Een (arbitrale uitspraak) kan worden
vernietigd:
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
a) indien de uitspraak in strijd is met de openbare orde;
b) indien het geschil niet vatbaar was voor beslechting door
arbitrage;
c) indien er geen geldige overeenkomst tot arbitrage is;
d) indien het scheidsgerecht zijn rechtsmacht of zijn
bevoegdheden heeft overschreden;
e) indien het scheidsgerecht heeft nagelaten over
één of meer geschilpunten uitspraak te doen en deze
punten niet kunnen worden gescheiden van die waarover wel uitspraak is
gedaan;
f) indien uitspraak is gedaan door een op regelmatige wijze
samengesteld
scheidsgerecht;
g) indien aan partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor
hun
rechten op te komen en hun middelen voor te dragen of indien er enige
andere
dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechterlijke geding is
miskend,
voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de (arbitrale
uitspraak);
<W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
h) indien de in artikel 1701, vierde lid, voorgeschreven
formaliteiten niet zijn vervuld;
i) indien de uitspraak niet met redenen is omkleed;
j) indien de uitspraak tegenstrijdige bepalingen bevat.
3. De uitspraak kan ook worden vernietigd:
a) indien zij is verkregen door bedrog;
b) indien zij is gegrond op een bewijsmiddel dat bij een in
kracht
van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis vals is verklaard of dat is
erkend
vals te zijn;
c) indien, nadat de uitspraak is gedaan, er een stuk of ander
bewijs
is ontdekt dat van beslissende invloed zou zijn geweest voor de
uitspraak
en dat door toedoen van de tegenpartij is achtergehouden.
4. De gevallen bedoeld in het tweede lid, onder c,
d
en f leveren geen grond tot vernietiging meer op, indien de partij die
deze
aanvoert, tijdens de loop van het geding voor scheidslieden wist dat
zich
een zodanig geval voordeed, doch zich er toen niet op heeft beroepen.
5. De redenen van wraking en uitsluiting van
(arbiters),
bedoeld in de artikelen 1690 en 1692, leveren geen grond op tot
vernietiging
in de zin van het tweede lid, onder f, van dit artikel, ook al zouden
zij
eerst na de uitspraak berekend zijn geworden. <W 1998-05-19/45, art.
14,
003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1705.
Indien er grond is voor de vernietiging van een
deel
van de uitspraak, wordt deze alleen voor dat deel vernietigd, indien
dit
kan worden gescheiden van de andere delen van de uitspraak.
Art. 1706.
1. De gronden tot vernietiging van een (arbitrale
uitspraak)
moeten, op straffe van verval, door de belanghebbende partij worden
voorgedragen in een en dezelfde procedure; dit geldt evenwel niet in
het geval dat een grond tot vernietiging als bedoeld in artikel 1704,
derde lid, eerst later bekend is geworden. <W 1998-05-19/45, art.
14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
2. Een vordering tot vernietiging is slechts
ontvankelijk
indien de uitspraak niet meer voor (arbiters) kan worden bestreden.
<W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1707.
1. De vordering tot vernietiging welke steunt op
een
van de in artikel 1704, tweede lid, onder c) tot en met j) bedoelde
gronden,
moet op straffe van verval worden ingesteld binnen een termijn van drie
maanden
nadat van de uitspraak aan partijen kennis is gegeven; deze termijn kan
evenwel
eerst beginnen te lopen op de dag waarop de uitspraak niet meer voor
(arbiters) kan worden bestreden. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. De verweerder in een geding tot vernietiging
kan
in hetzelfde geding de
vernietiging van de uitspraak vragen, ook al is de in het eerste lid
bedoelde
termijn verstreken.
3. De vordering tot vernietiging welke berust op
een
van de in artikel 1704, derde
lid, bedoelde gronden, moet worden ingesteld binnen drie maanden,
hetzij na
de ontdekking van het bedrog dan wel van het stuk of ander bewijs,
hetzij na de dag waarop het bewijsmiddel vals is verklaard of als
zodanig erkend. Zij kan echter niet meer worden ingesteld na verloop
van een termijn van vijf
jaar, te rekenen van de dag waarop volgens artikel 1702, eerste lid,
van
de uitspraak aan partijen kennis is gegeven.
4. De rechter voor wie een vordering tot
vernietiging
aanhangig is, onderzoekt ambtshalve of de bestreden uitspraak niet in
strijd
is met de openbare orde en of
het geschil vatbaar was voor beslechting door arbitrage.
Art. 1708.
1. Heeft het scheidsgerecht nagelaten uitspraak te
doen
over één of meer geschilpunten die kunnen worden
gescheiden
van die waarover wel uitspraak is gedaan, dan kan het, op vordering van
één
der partijen, zijn uitspraak aanvullen,
ook al zijn de in artikel 1698 bedoelde termijnen verstreken, tenzij de
wederpartij
betwist dat is nagelaten uitspraak te doen over een geschilpunt of dat
de
geschilpunten kunnen worden gescheiden van die waarover wel uitspraak
is
gedaan.
2. In dat geval wordt het geschil door de meest
gerede
partij aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer
deze
beslist dat de geschilpunten, waarover geen uitspraak is gedaan,
gescheiden
kunnen worden van die waarover
wel uitspraak is gedaan, verwijst zij partijen naar het scheidsgerecht
ter
aanvulling
van de uitspraak.
Art. 1709.
(Arbiters) kunnen hun uitspraak uitvoerbaar bij
voorraad
verklaren niettegenstaande hoger beroep, onverminderd de bepalingen
betreffende
het kantonnement. Zij
kunnen ook bepalen dat de tenuitvoerlegging bij voorraad slechts kan
plaatsvinden
nadat volgens dit Wetboek zekerheid is gesteld. <W 1998-05-19/45,
art.
14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1709bis.
<Ingevoegd bij W 1998-05-19/45, art. 12, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998> De arbiters kunnen een partij veroordelen tot het
betalen
van een dwangsom. De artikelen 1385bis tot octies zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. 1710.
1. De tenuitvoerlegging van een (arbitrale
uitspraak)
kan slechts plaatsvinden nadat zij, op verzoekschrift van de
belanghebbende
partij, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg
uitvoerbaar
is verklaard, zonder dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is
verzocht,
aanspraak kan maken om in deze stand van het geding te worden gehoord.
<W
1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. De voorzitter kan de uitvoerbaarverklaring
slechts
verlenen indien de uitspraak
niet meer voor (arbiters) kan worden bestreden of door hen uitvoerbaar
bij
voorraad niettegenstaande hoger beroep is verklaard. Onverminderd het
bepaalde
in artikel 1714 is de beslissing van de voorzitter uitvoerbaar bij
voorraad
niettegenstaande voorziening. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
3. De voorzitter wijst het verzoek af indien de
uitspraak
of de tenuitvoerlegging
ervan in strijd is met de openbare orde of indien het geschil niet
vatbaar
was voor beslechting door arbitrage.
4. Binnen vijf dagen na de beslissing geeft de
griffier
daarvan bij gerechtsbrief kennis aan de verzoeker.
Art. 1711.
1. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan de
verzoeker
binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, hiervan bij het
hof
van beroep in hoger beroep komen. Dit hoger beroep wordt ingesteld door
betekening
van een gerechtsdeurwaardersexploot aan de partij tegen wie
tenuitvoerlegging is verzocht, houdende dagvaarding om voor het hof te
verschijnen.
2. Wil deze partij vernietiging van de uitspraak
vorderen
zonder tevoren daartoe een vordering te hebben ingesteld, dan moet zij
deze
vordering op straffe van verval binnen een maand nadat haar de
dagvaarding
in hoger beroep is betekend, bij de rechtbank van eerste aanleg
instellen.
Het hof van beroep schort in dat geval zijn beslissing op, totdat de
rechtbank op de vordering tot vernietiging eindbeslissing
heeft gewezen.
Art. 1712.
1. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de
uitspraak
moet door de verzoeker aan de wederpartij worden betekend. Binnen een
maand
na deze betekening kan tegen de beslissing verzet bij de rechtbank van
eerste
aanleg worden gedaan.
2. De partij die dit verzet doet en die de
vernietiging
van de uitspraak wil vorderen zonder tevoren een vordering daartoe te
hebben
ingesteld, moet deze op straffe van verval in hetzelfde geding en
binnen
de in het eerste lid bedoelde termijn instellen.
De partij die, zonder het in het eerste lid bedoelde verzet te doen, de
vernietiging
van de uitspraak wil vorderen, moet op straffe van verval haar
vordering tot
vernietiging binnen de in het eerste lid bedoelde termijn instellen.
Art. 1713.
1. In de gevallen van de artikelen 1711 en 1712
geldt
de in artikel 1707, eerste lid, genoemde termijn niet voor een
vordering
tot vernietiging van de uitspraak, welke is gegrond op het ontbreken
van
een geldige overeenkomst tot arbitrage.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1707,
derde
lid, kan een partij die eerst na de betekening van de beslissing tot
uitvoerbaarverklaring kennis heeft gekregen van een van de in artikel
1704, derde lid, bedoelde gronden tot vernietiging, niettemin uit dien
hoofde vernietiging van de uitspraak
vorderen, ook al zijn de in de artikelen 1711 en 1712 genoemde
termijnen
van een maand reeds verstreken.
Art. 1714.
1. De rechter voor wie een voorziening tegen een
beslissing
tot uitvoerbaarverklaring van een uitspraak of een vordering tot
vernietiging
van de uitspraak aanhangig is,
kan op vordering van één der partijen bevelen dat de
tenuitvoerlegging
van de uitspraak wordt opgeschort of dat daarvoor zekerheid wordt
gesteld.
2. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring heeft
geen
gevolg voor zover de (arbitrale uitspraak) is vernietigd. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
Art. 1715.
1. Wanneer voor een scheidsgerecht een dading is
tot
stand gekomen ter beëindiging van een voor dat gerecht aanhangig
geschil,
kan deze dading worden vastgesteld in een akte die wordt opgemaakt door
het
scheidsgerecht en zowel door (arbiters) als door partijen wordt
ondertekend.
Op deze akte zijn de bepalingen van het tweede
lid van artikel 1702 toepasselijk; op verzoekschrift van de
belanghebbende partij
kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de akte van dading
uitvoerbaar
verklaren. <W 1998-05-19/45, art. 14, 003; Inwerkingtreding :
17-08-1998>
2. De voorzitter van de rechtbank van eerste
aanleg
wijst het verzoek af indien de dading of de tenuitvoerlegging ervan in
strijd
is met de openbare orde of indien het geschil niet vatbaar was voor
beslechting
door arbitrage.
3. Binnen vijf dagen na de beslissing geeft de
griffier
daarvan bij gerechtsbrief kennis aan de verzoeker.
Art. 1716.
1. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de
akte
van dading moet door de verzoeker aan de wederpartij worden betekend.
Binnen
een maand na de
betekening kan tegen de beslissing bij de rechtbank van eerste aanleg
verzet
worden gedaan.
2. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan de
verzoeker
hoger beroep instellen overeenkomstig artikel 1711.
3. De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de
akte
van dading heeft geen gevolg voor zover de dading is vernietigd.
Art. 1717.
1. Onverminderd de bepalingen van artikel 1719,
tweede
lid, is met betrekking tot
de toepassing van de bepalingen van het zesde deel van dit Wetboek
bevoegd,
de rechtbank die is aangewezen in de overeenkomst tot arbitrage of in
een
latere overeenkomst, welke is gesloten voordat de plaats van arbitrage
was
vastgesteld.
2. Hebben partijen dienaangaande niets bepaald,
dan
is bevoegd de rechtbank van de plaats van arbitrage. Wanneer die plaats
nog
niet is vastgesteld, is bevoegd de rechtbank in welker arrondissement
de
rechter zetelt die bevoegd zou zijn geweest om kennis te nemen van het
geschil
indien het niet aan arbitrage was onderworpen.
3. (...) <W 1998-05-19/45, art. 13, 003;
Inwerkingtreding
: 17-08-1998>
4. Partijen kunnen, door een uitdrukkelijke
verklaring
in de overeenkomst tot arbitrage of door een latere overeenkomst, elke
vordering
tot nietigverklaring van
een arbitrale uitspraak uitsluiten, wanneer geen van hen een
natuurlijke persoon
van Belgische nationaliteit is of een natuurlijke persoon met gewone
verblijfplaats
in Belgie of een rechtspersoon met hoofdvestiging in Belgie of die er
een
bijkantoor heeft.) <W 1998-05-19/45, art. 13, 003; Inwerkingtreding
:
17-08-1998>
Art. 1718.
1. Wanneer een compromis is aangegaan over hoger
beroep
tegen een vonnis van
de rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van koophandel, kan
met
betrekking tot de (arbitrale uitspraak) geen gedwongen
tenuitvoerlegging worden
gelast, dan nadat het hof van beroep ze uitvoerbaar heeft verklaard, na
dagvaarding
van de partij tegen wie tenuitvoerlegging is verzocht. <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2. Wanneer die persoon de vernietiging van de
uitspraak
wil vorderen zonder
tevoren een vordering daartoe te hebben ingesteld, moet hij deze op
straffe
van verval in hetzelfde geding instellen, onverminderd de bepalingen
van
artikel 1713.
3. Tegen de beslissingen van het hof van beroep
staat
geen verzet open.
Art. 1719.
1. De voorzitter van de rechtbank van eerste
aanleg,
daartoe bij verzoekschrift aangezocht, beslist op de vordering tot
uitvoerbaarverklaring
van ingevolge een overeenkomst tot arbitrage in het buitenland gegeven
scheidsrechterlijke uitspraken.
2. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter
van
de rechtbank van eerste aanleg van het gebied waarin hij tegen wie
tenuitvoerlegging
is verzocht zijn woonplaats of, bij gebreke daarvan, zijn
verblijfplaats
heeft. Indien deze persoon in België geen woon- of verblijfplaats
heeft, wordt de vordering gebracht voor de voorzitter van de rechtbank
van eerste aanleg van de plaats waar de uitspraak moet worden ten
uitvoer gelegd.
3. De verzoeker kiest woonplaats in het
arrondissement
van de rechtbank.
4. Hij voegt bij het verzoekschrift het origineel
van
de uitspraak en van de overeenkomst tot arbitrage of een afschrift
ervan
dat voldoet aan de voorwaarden voor hun authenticiteit.
5. De voorzitter van de rechtbank onderzoekt de
vordering
en kan daartoe de verzoeker en de partij tegen wie tenuitvoerlegging is
verzocht,
in raadkamer oproepen. De oproeping wordt door de griffier bij
gerechtsbrief
aan partijen gericht.
Art. 1720.
Binnen vijf dagen na de beslissing van de
voorzitter
van de rechtbank van eerste aanleg geeft de griffier daarvan bij
gerechtsbrief
kennis aan de verzoeker.
Art. 1721.
Wordt het verzoek afgewezen, dan kan de verzoeker
binnen
één maand nadat van de beslissing is kennis gegeven,
daarvan
bij het hof van beroep in hoger beroep komen. Dit hoger beroep wordt
ingesteld
door betekening van een gerechtsdeurwaardersexploot aan de partij tegen
wie
tenuitvoerlegging is verzocht, houdende dagvaarding om voor het hof te
verschijnen.
Art. 1722.
De beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de
uitspraak
moet door de verzoeker worden betekend aan hem tegen wie
tenuitvoerlegging
is verzocht. Binnen een
maand na deze betekening kan tegen die beslissing verzet bij de
rechtbank van
eerste aanleg worden gedaan.
Art. 1723.
Tenzij er toepassing is van een verdrag tussen
België
en het land waar de uitspraak
is gegeven, weigert de rechter de uitvoerbaarverklaring:
1° indien tegen de uitspraak nog voor
(arbiters)
kan worden opgekomen en de (arbiters) daarvan niet de tenuitvoerlegging
bij
voorraad niettegenstaande hoger beroep hebben gelast; <W
1998-05-19/45,
art. 14, 003; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
2° indien de uitspraak of de tenuitvoerlegging
strijdig
is met de openbare orde of indien het geschil niet voor regeling bij
wege
van arbitrage vatbaar was;
3° indien het bewijs wordt geleverd van het
bestaan
van een grond tot vernietiging
als bepaald in artikel 1704.
II.
BEMIDDELING
<>
HOOFDSTUK I -
Algemene beginselen
Artikel 1724>
Elk
geschil dat vatbaar is om te worden geregeld via een dading, kan het
voorwerp
zijn van een bemiddeling, evenals :
1° de geschillen betreffende de materies bedoeld in de
hoofdstukken
V en VI van titel V, in hoofdstuk IV van titel VI en in titel IX van
boek I van
het Burgerlijk Wetboek;
2° De geschillen betreffende de materies bedoeld in
titel Vbis van
boek III van dit Wetboek;
3° de geschillen ingesteld overeenkomstig de afdelingen
I tot IV
van hoofdstuk XI van boek IV van het vierde deel van dit Wetboek;
4° De geschillen voortvloeiend uit de feitelijke
samenwoning.
De publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen partij zijn bij een
bemiddeling in
de bij wet of bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit
bepaalde
gevallen.
Artikel 1725
§
1.
Elke overeenkomst kan een bemiddelingsbeding bevatten, waarbij de
partijen zich
ertoe verbinden voor eventuele geschillen in verband met de geldigheid,
totstandkoming, uitlegging, uitvoering of verbreking van de
overeenkomst eerst
een beroep te doen op bemiddeling en pas dan op elke andere vorm van
geschillenbeslechting.
§ 2. De rechter of de arbiter bij wie een aan een
bemiddelingsbeding onderworpen
geschil aanhangig is gemaakt, schort, op verzoek van een partij, de
behandeling
van de zaak op, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldig
beding is of
dit is geëindigd. De exceptie moet vóór enige andere
exceptie of verweer worden
voorgedragen. De behandeling van de zaak wordt voortgezet zodra de
partijen of
een van hen aan de griffie en aan de andere partijen hebben meegedeeld
dat de
bemiddeling beëindigd is.
§ 3. Het bemiddelingsbeding vormt geen beletsel voor verzoeken tot
het treffen
van voorlopige of bewarende maatregelen. De indiening van dergelijke
verzoeken
brengt niet mee dat men van de bemiddeling afziet.
Artikel 1726
§
1.
Door de in artikel 1727 bedoelde commissie kunnen worden erkend de
bemiddelaars
die minstens voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° op grond van een in het heden of in het verleden
uitgeoefende
activiteit doen blijken van een bekwaamheid die door de aard van het
geschil
wordt vereist;
2° naargelang van het geval, doen blijken van de voor
de
bemiddelingspraktijk passende vorming of ervaring;
3° de met het oog op de uitoefening van de bemiddeling
noodzakelijke waarborgen bieden inzake onafhankelijkheid en
onpartijdigheid;
4° niet het voorwerp zijn geweest van een in het
strafregister
opgenomen veroordeling die onverenigbaar is met de uitoefening van de
functie
van erkend bemiddelaar;
5° geen tuchtsanctie of administratieve sanctie hebben
opgelopen
die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend
bemiddelaar
noch het voorwerp zijn geweest van een intrekking van een erkenning.
§ 2. De erkende bemiddelaars volgen een permanente vorming waarvan
het
programma erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
§ 3. Dit artikel is eveneens van toepassing ingeval een beroep
wordt gedaan op
een college van bemiddelaars.
Artikel 1727
§
1. Er
wordt een federale bemiddelingscommissie ingesteld, bestaande uit een
algemene
commissie en bijzondere commissies.
§ 2. De algemene commissie bestaat uit zes in bemiddeling
gespecialiseerde
leden, namelijk : twee notarissen, twee advocaten en twee
vertegenwoordigers
van de bemiddelaars die noch het beroep van advocaat, noch dat van
notaris
uitoefenen.
Bij de samenstelling van de algemene commissie wordt gezorgd voor een
evenwichtige vertegenwoordiging van de vakgebieden.
De algemene commissie telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige
leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de
indiening van
de kandidaturen en voor de voordracht van de leden worden bepaald bij
ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de Minister van
Justitie
aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot
die Orde behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone
voor de
advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de
notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars
die noch
het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 3. De algemene commissie wijst uit haar midden en voor een
periode van twee
jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo
nodig
vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door
een
Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Het voorzitterschap
en het
ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door
notarissen,
door advocaten en door bemiddelaars die noch het beroep van advocaat,
noch dat
van notaris uitoefenen.
De algemene commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid
van de
leden van de commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid afwezig of
verhinderd
is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij
gewone
meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van
de
voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt, doorslaggevend.
§ 4. Er worden drie bijzondere commissies opgericht om advies te
verstrekken
aan de algemene commissie :
- een bijzondere commissie voor familiezaken;
- een bijzondere commissie voor burgerlijke en handelszaken;
- een bijzondere commissie voor sociale zaken.
Deze bijzondere commissies bestaan uit specialisten en practici van al
deze soorten
bemiddeling, namelijk :
twee notarissen, twee advocaten en twee vertegenwoordigers van de
bemiddelaars
die noch het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
De bijzondere
commissies tellen evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
De nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de
indiening van
de kandidaturen en voor de voordracht van de leden worden bepaald bij
ministerieel besluit.
De vaste en plaatsvervangende leden worden door de minister van
Justitie
aangewezen op de met redenen omklede voordracht :
- van de Orde van Vlaamse balies voor de advocaat die tot
die Orde
behoort;
- van de Ordre des barreaux francophones et germanophone
voor de
advocaat die tot die Orde behoort;
- van de koninklijk federatie van notarissen, voor de
notarissen;
- van de representatieve instanties voor de bemiddelaars
die noch
het beroep van advocaat, noch dat van notaris uitoefenen.
Het mandaat van vast lid duurt vier jaar en is hernieuwbaar.
§ 5. Elke bijzondere commissie wijst uit haar midden en voor een
periode van
twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de
voorzitter zo
nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend
door een
Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed.
Ze stelt haar huishoudelijk reglement op.
Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid
van de
leden van de bijzondere commissie aanwezig zijn. Indien een vast lid
afwezig of
verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen
worden bij
gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de
stem van
de voorzitter of van de ondervoorzitter die hem vervangt,
doorslaggevend.
§ 6. De opdrachten van de algemene commissie zijn de volgende :
1° de instanties voor de vorming van bemiddelaars en de
vormingen
die zij organiseren, erkennen;
2° de criteria voor de erkenning van de bemiddelaars
per soort
bemiddeling bepalen;
3° de bemiddelaars erkennen;
4° tijdelijk of definitief de erkenning intrekken van
de
bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in
artikel
1726;
5° de procedure voor de erkenning en de tijdelijke of
definitieve
intrekking van de titel van bemiddelaar bepalen;
6° de lijst van de bemiddelaars opstellen en
verspreiden bij de
hoven en rechtbanken;
7° een gedragscode opstellen en de eruit voortvloeiende
sancties bepalen.
De beslissingen van de commissie zijn gemotiveerd.
§ 7. De Minister van Justitie stelt aan de federale
bemiddelingscommissie het
personeel alsook de middelen ter beschikking die nodig zijn voor haar
werking.
De Koning bepaalt welk presentiegeld aan de leden van de federale
bemiddelingscommissie kan worden toegekend alsook de vergoedingen die
hen
kunnen worden toegekend als terugbetaling van hun reis- en
verblijfskosten.
Artikel 1728
§
1. De
documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in
de loop
en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure zijn vertrouwelijk. Zij
mogen niet
worden aangevoerd in een gerechtelijke, administratieve of arbitrale
procedure
of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn
niet
toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
De
geheimhoudingsplicht kan slechts worden opgeheven met instemming van de
partijen om onder meer de rechter in staat te stellen de
bemiddelingsakkoorden
te homologeren.
Bij schending van die geheimhoudingsplicht door een van de partijen
doet de
rechter of de arbiter uitspraak over de eventuele toekenning van
schadevergoeding. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of
waarop
een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden
ambtshalve
buiten de debatten gehouden.
Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de
bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis
krijgt, niet
openbaar maken. Hij mag door de partijen niet worden opgeroepen als
getuige in
een burgerrechtelijke of administratieve procedure met betrekking tot
de feiten
waarvan hij in de loop van zijn bemiddeling kennis heeft genomen.
Artikel 458
van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
§ 2. In het raam en ten behoeve van zijn opdracht kan de
bemiddelaar, met
instemming van de partijen, de derden horen die daarmee instemmen of,
wanneer
de complexiteit van de zaak zulks vereist, een beroep doen op een
deskundige
inzake het behandelde vakgebied. Zij zijn gehouden tot de
geheimhoudingsplicht
bedoeld in § 1, eerste lid. Paragraaf 1, derde lid, is van
toepassing op de
deskundige.
Artikel 1729
Elke
partij kan te allen tijde een einde maken aan de bemiddeling, zonder
dat dit
tot haar nadeel kan strekken.
HOOFDSTUK II - De vrijwillige bemiddeling
Artikel 1730
§
1.
Elke partij mag, onverminderd elke gerechtelijke of arbitrale
procedure, voor,
tijdens of na een rechtspleging aan de andere partijen voorstellen om
een
beroep te doen op de bemiddelingsprocedure. De partijen wijzen in
onderlinge
overeenstemming de bemiddelaar aan of belasten een derde met die
aanwijzing.
§ 2. Zo het voorstel bij aangetekende brief wordt verzonden en een
aanspraak
bevat op een recht, wordt het gelijkgesteld met de ingebrekestelling
bedoeld in
artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. In dezelfde omstandigheden schorst het voorstel gedurende een
maand de
verjaring van de aan dat recht verbonden vordering.
Artikel 1731
§
1. De
partijen bepalen onderling, in samenspraak met de bemiddelaar, de
nadere regels
van het verloop van de bemiddeling, alsmede de duur ervan. Die
overeenkomst
wordt schriftelijk vastgelegd in een bemiddelingsprotocol dat wordt
ondertekend
door de partijen en de bemiddelaar. De bemiddelingskosten en erelonen
komen
gelijkelijk ten laste van de partijen, tenzij die er anders over
beslissen.
§ 2. Het bemiddelingsprotocol bevat :
1° de naam en de woonplaats van de partijen en hun
raadslieden;
2° de naam, de hoedanigheid en het adres van de
bemiddelaar, en in
voorkomend geval de vermelding dat de bemiddelaar erkend is door de in
artikel
1727 bedoelde commissie;
3° de herinnering aan het principe dat bemiddeling op
vrijwillige
basis geschiedt;
4° een beknopt overzicht van het geschil;
5° de herinnering aan het principe van
vertrouwelijkheid van de
mededelingen die tijdens de bemiddeling worden uitgewisseld;
6° de wijze waarop het ereloon van de bemiddelaar, het
tarief
ervan, alsook de betalingsvoorwaarden worden bepaald;
7° de datum;
8° de ondertekening door de partijen en de bemiddelaar.
§ 3. De ondertekening van het protocol schorst de
verjaringstermijn voor de
duur van de bemiddeling.
§ 4. Behoudens uitdrukkelijk akkoord van de partijen, eindigt de
schorsing van
de verjaringstermijn één maand na kennisgeving door een
van de partijen, of
door de bemiddelaar aan de andere partij of partijen, van hun wil om
een einde
te maken aan de bemiddeling. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende
brief.
Artikel 1732
Wanneer
de partijen tot een bemiddelingsakkoord komen, wordt dat in een
gedateerd en
door hen en de bemiddelaar ondertekend geschrift vastgelegd. In
voorkomend
geval wordt melding gemaakt van de erkenning van de bemiddelaar.
Die akte bevat de precieze verbintenissen van elk van de partijen.
Artikel 1733
In
geval
van akkoord en indien de bemiddelaar die de bemiddeling leidde erkend
is door
de commissie bedoeld in artikel 1727, kunnen de partijen of
één van hen het
bemiddelingsakkoord dat tot stand kwam overeenkomstig de artikelen 1731
en 1732
ter homologatie voorleggen aan de bevoegde rechter. Dit gebeurt
overeenkomstig
de artikelen 1025 tot 1034. Het verzoek kan echter ondertekend worden
door de
partijen zelf, indien het uitgaat van alle bij de bemiddeling betrokken
partijen. Het bemiddelingsprotocol wordt bij het verzoek gevoegd.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien
het
strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat werd bereikt
na een
bemiddeling in familiezaken strijdig is met de belangen van de
minderjarige
kinderen.
De homologatiebeschikking heeft de gevolgen van een vonnis, in de zin
van
artikel 1043.
HOOFDSTUK III - Gerechtelijke bemiddeling
Artkiel 1734
§
1. In
elke stand van het geding, alsook in kort geding, behalve voor het Hof
van
Cassatie en voor de arrondissementsrechtbank, kan de reeds geadieerde
rechter,
op gezamenlijk verzoek van de partijen, of op eigen initiatief maar met
instemming van de partijen, een bemiddeling bevelen, zolang de zaak
niet in
beraad is genomen. De partijen komen overeen over de naam van de
bemiddelaar,
die moet erkend zijn door de in artikel 1727 bedoelde commissie.
In afwijking van het vorige lid, kunnen de partijen gemeenschappelijk
en op
gemotiveerde wijze aan de rechter vragen dat hij een niet-erkende
bemiddelaar aanwijst.
Tenzij de bemiddelaar die de partijen voorstellen klaarblijkelijk niet
voldoet
aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit
verzoek in,
indien de partijen aantonen dat geen enkele erkende bemiddelaar
beschikbaar is
die over de vereiste bekwaamheden beschikt voor die bemiddeling.
§ 2. De beslissing die een bemiddeling beveelt, vermeldt
uitdrukkelijk het
akkoord van de partijen, de naam, de hoedanigheid en het adres van de
bemiddelaar, legt de aanvankelijke duur vast van zijn opdracht, zonder
dat die
drie maanden kan overschrijden en vermeldt de datum waarop de zaak is
verdaagd,
die de eerste nuttige datum na het verstrijken van deze termijn is.
§ 3. Uiterlijk tijdens de in § 2 bedoelde zitting informeren
de partijen de
rechter over de afloop van de bemiddeling. Indien ze niet tot een
akkoord zijn
gekomen, kunnen ze om een nieuwe termijn verzoeken of vragen dat de
procedure
wordt voortgezet.
§ 4. De partijen kunnen om een bemiddeling verzoeken, hetzij in de
akte van
rechtsingang, hetzij tijdens de zitting, hetzij bij een eenvoudig
schriftelijk
verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. In dat
laatste
geval wordt de rechtsdag bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend
geval hun
raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van
de
partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij
gewone
brief opgeroepen.
§ 5. Wanneer de partijen er gezamenlijk om verzoeken dat een
bemiddeling wordt
bevolen, worden de proceduretermijnen die hen werden verleend geschorst
vanaf
de dag dat zij dat verzoek doen.
In voorkomend geval kunnen de partijen of één van hen om
nieuwe termijnen
verzoeken voor de instaatstelling van de zaak tijdens de in § 2 of
in artikel
1735, § 5, bedoelde zitting.
Artikel 1735
§
1.
Binnen acht dagen na uitspraak van de beslissing bezorgt de griffie de
bemiddelaar bij gerechtsbrief een voor eensluidend verklaard afschrift
van het
vonnis. Binnen acht dagen brengt de bemiddelaar de rechter en de
partijen bij
brief op de hoogte van de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn
opdracht
zal aanvatten.
§ 2. De bemiddeling kan betrekking hebben op het hele geschil of
op een
gedeelte ervan.
§ 3. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan
hij op elk
ogenblik elke door hem noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op
verzoek van
de bemiddelaar of van een van de partijen kan hij ook
vóór het verstrijken van
de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
§ 4. Op elk ogenblik van de procedure kan de aangewezen
bemiddelaar door een
andere erkende bemiddelaar worden vervangen, bij overeenkomst tussen de
partijen, die door hen ondertekend wordt en bij het dossier van de
procedure
wordt gevoegd.
§ 5. De zaak kan vóór de vastgestelde dag weer voor
de rechter worden gebracht
bij eenvoudige, schriftelijke en ter griffie neergelegde of aan de
griffie
gerichte verklaring door de partijen of door een van hen. De rechtsdag
wordt
bepaald binnen vijftien dagen na het verzoek.
De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op en in voorkomend
geval hun
raadsman bij gewone brief. Indien het over een gezamenlijk verzoek van
de
partijen gaat, worden zij, en in voorkomend geval hun raadsman, bij
gewone brief
opgeroepen.
Artikel 1736
De
bemiddeling verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1731
en
1732.
Bij afloop van zijn opdracht meldt de bemiddelaar de rechter
schriftelijk of de
partijen al dan niet tot een akkoord zijn gekomen.
Zo de bemiddeling tot een, zelfs gedeeltelijk bemiddelingsakkoord
leidt, kunnen
de partijen of één van hen overeenkomstig artikel 1043 de
rechter verzoeken dat
akkoord te homologeren.
De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien
het
strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat bekomen werd
na een
bemiddeling in familiezaken strijdig is met het belang van de
minderjarige
kinderen.
Zo de bemiddeling niet tot een volledig bemiddelingsakkoord heeft
geleid, wordt
de procedure op de vastgestelde dag voortgezet, maar behoudt de rechter
de
mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en alle partijen ermee
instemmen, de
opdracht van de bemiddelaar voor een door hem bepaalde termijn te
verlengen.
Artikel 1737
Er
is geen voorziening
mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen,
verlengd of
beëindigd.
____________________________________________
|